Kweekhandleiding Cetoniinae (Rozenkevers) algemeen

Hier kun je de caresheets van diverse soorten vinden
Capsicum
Moderator
Berichten: 338
Lid geworden op: za 02 jan 2021, 15:07

Kweekhandleiding Cetoniinae (Rozenkevers) algemeen

Bericht door Capsicum »

Inleiding

Deze kweekhandleiding is bedoeld als leidraad voor het houden en kweken van de algemeen gehouden Cetoniinae. Je kunt deze gebruiken voor soorten als Eudicella, Cyprolais, Pachnoda, Mecynorhina torquata ssp, Mecynorhina polyphemus confluens, Stephanorrhina, Chlorocala en sommige Protaetia, zoals P. speciosissima.

De handleiding is niet geschikt voor Dynastidae, Lucanidae en sommige lastigere Cetoniinae, zoals Goliathus, Mecynorhina harissii, M. kraatzi en M. oberthuri.

In veel caresheets zie je dat er witrot hout wordt toegevoegd aan het substraat voor de larven. Dit is voor de meeste Cetoniinae niet noodzakelijk en in deze handleiding wordt dan ook uitgegaan van het gebruik van alleen bladsubstraat.


Cyclus en levensduur

De cyclus van de kever bestaat uit ei, eerste larvenfase (L1), tweede larvenfase (L2), derde larvenfase (L3), popfase en imago. De duur van de deze cyclus (ei tot imago) verschilt per soort en hangt ook af van de temperatuur. Bij Pachnoda soorten duurt de cyclus soms maar 5-6 maanden, terwijl dit bij Mecynorhina torquata ugandensis (Mtu) wel 2 jaar kan zijn bij lagere temperaturen. De fases die de meeste soorten wel overeenkomstig hebben zijn de eifase (ongeveer 10 dagen), L1 fase (ongeveer 1 maand), L2 fase (ongeveer 1 maand) en de popfase (ongeveer 1 maand). Na de popfase is het imago nog enkele weken in rust voor het actief wordt. Het grote verschil in ontwikkelingsduur tussen soorten zit in de L3 fase.
Imago’s worden zo’n 3 tot 6 maanden oud, afhankelijk van de soort en de omstandigheden.
Deze handleiding behandelt de verzorging en omgevingscondities in alle fasen met het oog op het succesvol houden en kweken van Cetoniinae.


De verzorging van het imago

Imago's kunnen in kleine terraria of kunststof bakken gehouden worden. Er is niet echt een minimummaat voor een bak. Een ruimte van bijvoorbeeld 30x30 cm is al genoeg voor een flinke groep kleinere kevers of bijvoorbeeld een koppel of trio Mecynorhina sp. Een kleine bak is
al prima maar een grote bak kan natuurlijk ook. Zoals al vermeld; er is niet echt een minimummaat, doe gewoon zoveel kevers in je bak als goed voelt. Zorg voor voldoende takjes of schors in de bak, zodat de kevers zich gemakkelijk door de bak kunnen verplaatsen. Op alleen bladsubstraat hebben ze te weinig grip om zich om te draaien, als ze per ongeluk op hun rug terechtkomen.
De kevers hebben geen verwarming nodig en kunnen op kamertemperatuur gehouden worden. Ook lagere kamertemperaturen van bijvoorbeeld 18 graden overdag lijken geen probleem te zijn. Een led lampje kan ze wat actiever maken, maar is niet noodzakelijk als er ook al wat natuurlijk omgevingslicht is. Een gloeilamp, warmtelamp of warmtemat is af te raden, omdat deze het kweeksubstraat snel kunnen uitdrogen.
De imago’s eten fruit. Je kunt vers fruit gebruiken, maar de kans is wel groot dat je hiermee een fruitvliegenplaag krijgt. Vervang het verse fruit zeer regelmatig om dit te voorkomen. Er zijn op de markt ook zogenaamde beetle jellies verkrijgbaar. Dit is een gelei van fruit en nog wat toevoegingen. Deze jellies zijn zeer geschikt voor de kevers, zijn gesloten lang houdbaar, handig in gebruik en je krijgt minder last van fruitvliegen. De jellies vervang je als ze op zijn of er niet meer goed uitzien.

Om zich te kunnen voortplanten is het noodzakelijk om in de kweekbak een laag substraat te hebben liggen die minimaal 3 keer zo dik is als de lengte van de vrouwtjes. De vrouwtjes graven naar beneden en leggen hun eieren in het substraat. Voor de kleinere soorten betekent dit zo’n 10 centimeter, maar voor Mecynorhina kom je al snel op 15-20 cm.
De larven van rozenkevers eten een zo fijn mogelijk substraat dat bestaat uit gemalen eiken en/of beukenblad. Alle eiken en beuken zijn geschikt; zo ook de Amerikaanse eik.


Het maken van het substraat voor de eileg en de larven

Het substraat voor de eieren en larven maak je door reeds gevallen eiken en of beukenblad te drogen en dit zo fijn mogelijk te malen. Het drogen heeft als doel het ‘ongedierte’, zoals duizendpoten, te verwijderen uit het blad. Het beste kun je op een geschikte plek een combinatie verzamelen van de bovenste laag gevallen (en al bruine) bladeren en de laag daaronder, die al wat meer afgebroken is.
Na het drogen en het malen kun je dit ook lang opslaan als voorraad. Om het substraat te gaan gebruiken is het noodzakelijk dit te bevochtigen. Het substraat moet licht vochtig zijn, maar zeker niet nat! Als het op de hand wat vochtig aanvoelt is het goed. Als leidraad kun je het vergelijken met een zak potgrond die net open is. Dit voelt ook vochtig aan, maar is niet nat en zeker niet zo nat dat je er water uit kunt knijpen.
Vul je kweekbak tot de gewenste dikte substraat en druk de onderste paar cm stevig aan. De rest kun je licht aandrukken. Zet de kevers in de bak en je bent klaar voor de kweek. Het is over het algemeen het beste als je meer vrouwen dan mannen in de bak doet. Dit scheelt vechten en zo hebben ze ook meerdere vrouwen om hun aandacht over te verdelen.


Kweken en verzorging van de larven

Als de kevers gepaard hebben kunnen de vrouwen na zo’n 2 weken beginnen met eieren leggen. Je kunt nu de mannen uit de bak halen, maar je kunt ze ook laten zitten. De mannen blijven gewoon paren met de vrouwen, beoordeel zelf of dit nadelig kan zijn voor de kweek. Heb je een grote groep kleinere kevers, dan is het sowieso geen probleem om de mannen te laten zitten.
Een maand na het introduceren van de kevers kun je al L1 larfjes vinden in het substraat. Je kunt ze eruit halen en in een andere bak opkweken of nog even laten zitten tot ze wat groter zijn. De vrouwen blijven hun hele leven graven en eieren leggen. Het kan voor de kweek gunstig zijn, om na een maand of 2 de kevers in een nieuwe kweekbak te zetten, zodat de eerdere batch larven rustig kan doorgroeien. Dit is allemaal niet echt noodzakelijk, vooral niet als je niet per se grote aantallen larven wilt.

Als de larven wat groter zijn kun je ze apart opkweken in plastic bakken. Gebruik hiervoor hetzelfde substraat als voor het kweken. Het beste maak je een paar luchtgaatjes bovenaan in de zijkant van de bakken. Zo is er wat ventilatie en kun je de bakken ook opstapelen. Er verdampt op deze manier ook zo weinig vocht dat het vochtgehalte zeer lang op peil blijft. Vul de bak met substraat en laat de luchtgaten vrij. Voor de kleinere soorten kun je ongeveer 20 L3 larven per 10 liter aanhouden. Voor Mecynorhina ongeveer 5 á 6 L3 larven. Als ze nog kleiner zijn kunnen er meer bij elkaar. Het belangrijkste is dat de larven genoeg vers substraat hebben om te eten. Als het substraat voor een groot deel uit poepjes gaat bestaan is het noodzakelijk om een groot deel te gaan verversen, waarbij je altijd een klein deel van het oude substraat in de bak laat.
Ongeveer 1 keer per maand kun je de larven controleren. Kijk of ze gegroeid zijn en of ze er gezond uit zien. Vooral bij grotere soorten kan het leuk zijn om ook gewichten bij te houden en zo te ontwikkeling te volgen. Als je eenmaal ervaring hebt met een soort en je weet dat het toch wel goed gaat, hoef je natuurlijk niet steeds je larven te controleren.

Ook de larven hebben geen extra verwarming nodig; je kunt ze op kamertemperatuur opkweken. Hogere temperaturen zijn ook prima; de ontwikkeling gaat dan sneller, maar de imago’s kunnen bij veel soorten groter worden bij een tragere ontwikkeling op lagere temperaturen. Te hoge temperaturen kunnen voor extra sterfte onder de larven zorgen; denk hierbij aan vanaf 26/27 graden. Als het in de zomer dus erg warm wordt in huis, kan het goed zijn om de larven tijdelijk op een koelere plaats te zetten.

Na de L3 fase gaan de larven verpoppen. Je kunt zien dat dit er aan zit te komen, als de larven gelig worden en veel gaan rondkruipen. Laat ze nu met rust; ze gaan een cocon bouwen en hierna duurt het ongeveer een maand totdat de metamorfose compleet is. Hierna is de kever nog een paar weken in rust voordat deze actief wordt. De cocons kun je in een apart bakje met substraat leggen met een klein beetje substraat eroverheen. Zo kun je ze goed in de gaten houden. Je kunt ze ook gewoon laten zitten in de opkweekbak; als alles goed gaat zul je vanzelf je eerste kevers zien. De cyclus begint nu weer helemaal opnieuw!


Ziektes en plagen

Larven die erg slap aanvoelen of donkere plekken vertonen zijn waarschijnlijk ziek; deze kun je het beste verwijderen uit de bak.
Over ziektes en plagen zijn hele boeken te schrijven. In deze handleiding gaan we er maar beknopt op in. Veel voorkomende plaagdieren zijn mijten, rouwvarenmuggen en duizendpoten. Mijten zijn over het algemeen niet schadelijk. Als het er gigantisch veel worden mogelijk wel. Rouwvarenmuggen zijn kleine vliegjes die hun eieren in vochtig substraat leggen, de larven leven van hetzelfde substraat als keverlarven, alleen zitten ze in bovenste laag van het substraat. De rouwvarenmug kan razendsnel uitgroeien tot een flinke plaag. Er wordt weleens geschreven dat de muggen ziektes over kunnen brengen tussen bakken. Mijten en rouwvarenmuggen kun je bestrijden door het substraat aan de drogere kant te houden. Ook kun je roofmijten uitzetten, deze zijn zeer effectief en zijn gemakkelijk online te bestellen.
Duizendpoten zijn rovers en kunnen eieren en kleine larven doden. De duizendpoten komen vaak mee als je substraat rechtstreeks uit het bos gebruikt, zonder het helemaal te drogen en te malen.


Samen houden met andere kever- of diersoorten

Veel soorten Cetoniinae kun je samen houden. Dit kan erg leuk zijn als je een mooi terrarium in de huiskamer wilt houden. Houd er wel rekening mee dat je de larven van de verschillende soorten niet kunt onderscheiden en dat het mogelijk is dat 1 soort de overhand gaat krijgen in de bak.
Ook met andere diersoorten zou je kevers samen kunnen houden, mits je aan de juiste omstandigheden kunt voldoen die in deze handleiding beschreven staan. Er zijn natuurlijk wel dieren die kevers zouden kunnen opeten, zoals sommige reptielensoorten. Ook een grote bidsprinkhaan samen met een kleine keversoort zou voor problemen kunnen zorgen.
Plaats reactie